Speerpunten beleid Ruimtelijke Ordening en Planning

  • Organisatie – hervorming dienst i.f.v. ontvoogding

In het permanent stappen voorwaarts zetten naar ‘deugdelijk bestuur’ toont de stad Aalst dat zij een modernisering als topprioriteit beschouwt.
Specifiek voor de diensten Ruimtelijke Ordening wordt zij tevens gevat door het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (Art. 193) dat handelt over de ‘ontvoogding’. De stad Aalst streeft ook naar deze ontvoogding (meer autonomie en verantwoordelijkheid inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening). Hierdoor zullen stedenbouwkundige vergunningen zelfstandig kunnen afgeleverd worden. Deze ontvoogding zal ook op organisatorisch vlak een aantal implicaties inhouden bij de dienst Ruimtelijke Ordening. De ontvoogding kan maar pas slagen als de organisatie op al de bijkomende taken geënt is en hierop voorbereid wordt.
Ruimtelijke ordening in de brede zin heeft heel wat relaties naar de bevolking en is een materie waar de burgers in direct contact komen met het stadsbestuur. Een goede en efficiënte werking van deze dienst moet de permanente zorg zijn. Deze dienst moet in functie staan van de burgers.

  • Opmaken van stedenbouwkundige verordeningen

Om uitvoeringsplannen te realiseren beschikt de stad Aalst over een aantal instrumenten zoals de opmaak van stedenbouwkundige verordeningen. In het decreet wordt omschreven waarover deze verordeningen kunnen gaan: gezondheid en stevigheid van gebouwen, thermische en akoestische kwaliteit, de aanleg van voorzieningen, bewoonbaarheid van woningen, ….

Met een nieuw verordeningsbeleid wil de stad Aalst verschillende ruimtelijke beleidsdoelstellingen ondersteunen. Heel veel aandacht zal gaan naar het vrijwaren van de waardevolle gebouwen, archeologisch patrimonium, reclame in de stad, gevelafwerkingen, parkeerplaatsen, bevorderen van de interne als externe woonkwaliteit, open terrassen, ….
Daarnaast wil dit verordeningsbeleid de maximale invulling van de bestaande gebouwen bevorderen zoals het wonen boven winkels en kantoren. Ook de integrale toegankelijkheid van gebouwen is een van de doelstellingen van deze verordening.

In de binnenstad is reeds lang een tendens van woonverdichting aanwijsbaar. Appartementsbouw enerzijds en “huisjesmelkerij” anderzijds liggen hier aan de basis. Appartementsbouw kan verder als woonvorm worden aanvaard, evenwel rekening houdende met de architecturale context ( “de maat van de straat”, “behoud van wat goed is”) en met de stedenbouwkundige context.
Deze verordening is zo veel mogelijk opgebouwd op basis van deze doelstellingen. Dit betekent echter niet dat voorschriften slechts één doelstelling dienen. Zo zullen bvb. heel wat voorschriften die een goede integratie van gebouwen in hun omgeving betrachten, ook de woonkwaliteit van de omwonenden ten goede komen. Om deze doelstellingen hard te maken en te kunnen afdwingen in het vergunningsbeleid (zowel in eerste aanleg als in beroep) worden ze omgezet in verordenende voorschriften. Ook het voeren van een esthetisch verantwoord reclamebeleid, het aanmoedigen van beplantingen en groen, het voeren van een coherent mobiliteit en parkeerbeleid dragen stuk voor stuk bij tot een optimalisering van het woonklimaat.

 

  • Bindend gedeelte van het structuurplan Aalst

In het kader van het goedgekeurd structuurplan dienen nog een aantal taken uitgevoerd te worden.

rsa

 

 

1. Omgaan met het structuurplan als kader

 

 

 

Het richtinggevend gedeelte van elk structuurplan is volgens het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een kader voor beslissingen over de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. De stad Aalst verfijnt deze decretale bepaling en geeft in volgende beslissingen aan hoe zij met dit kader wil omgaan.

1.

Opmaken van een huishoudelijk reglement

 

De gemeenteraad maakt een handleiding op waarin onder andere volgende elementen worden behandeld:

  • de wijze waarop de verschillende gemeentelijke diensten het structuurplan gaan hanteren;
  • de te volgen procedure voor adviezen die in het kader van het structuurplan moeten worden opgemaakt;
  • de te volgen procedure die wordt gevolgd bij conflicterende adviezen;
  • de wijze waarop zal worden omgegaan met vragen van voorstellen van ontwikkelaars tot ontwikkeling van belangrijke projecten;
  • de procedure die wordt gevolgd bij het opmaken van adviezen over aanvragen tot bijkomende bebossing;
  • de wijze waarop technische uitvoeringsplannen voor de herinrichting van het openbaar domein zullen tot stand komen (bijvoorbeeld na voorafgaande opmaak van een stedebouwkundig ontwerp).

2.

Koppeling aan jaarlijks beleidsprogramma en begroting

 

Een selectie van de vastgelegde acties en maatregelen in de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan wordt jaarlijks voorgesteld in het jaarprogramma van de betrokken diensten.

 

 

 

3. Taakstellingen

 

 

16.

De gemeente zoekt naar gebieden voor het ontwikkelen van 250 ha nieuwe bossen

 

De gemeente dient daartoe een project in bij het Vlaams gewest.

17.

De gemeente evalueert driejaarlijks de evolutie van het aantal woningen in het stedelijk gebied

 

Indien te grote afwijkingen ontstaan met de taakstelling voor het stedelijk gebied neemt zij extra stimulerende maatregelen.

18.

De gemeente streeft naar het realiseren van 900 sociale woningen (inclusief voorziene projecten) door verschillende initiatiefnemers

 

Zij voert daartoe intensief overleg met de verschillende betrokken partners en maakt de nodige uitvoeringsplannen op. Dit laatste kan in het buitengebied slechts na advies van de afdeling woonbeleid van de Vlaamse administratie.

19.

De gemeente ontwikkelt minimaal 2 bijkomende lokale bedrijventerreinen

 

Het betreft één prioritair gebied aan Welleweg en één reservegebied in Gijzegem. De selectie gebeurt op basis van de programmatie bijkomende bedrijventerreinen.

20.

De gemeente streeft naar het herbestemmen van 25 ha bijkomend recreatiegebied

 

De programmatie recreatiegebieden is daarbij richtinggevend.

 

 

 

4. Acties

 

 

 

4.1. Geïntegreerde en gebiedsgerichte strategische plannen

 

 

21.

Geïntegreerde en gebiedsgerichte strategische plannen worden opgemaakt voor

 

  • de omgeving van de Zeebergbrug
  • Molenbeek IV - Faluintjes-Kravaalbos (inclusief het realiseren van een stadsbos)

Hiervoor worden samenwerkingsverbanden opgericht. Deze bepalen de thema’s waarrond zal worden gewerkt. De plannen leiden tot door de betrokken partners uit te voeren actieprogramma’s.

 

 

 

4.2. Strategische projecten

 

 

22.

Als strategische projecten worden bepaald

 

  • het realiseren van een gemengd woonproject in een nader te bepalen woonuitbreidingsgebied op basis van een ontwerpwedstrijd voor promotoren en ontwerpers
  • het ontwikkelen van een regionaal bedrijventerrein op Siesegemkouter (na overleg met het Vlaams gewest) op basis van de principes vermeld in het richtinggevend gedeelte en met aandacht voor de integratie van de omgeving van Gentsesteenweg
  • het ontwikkelen van een gemengd stedelijk project aan Keizerspoort op basis van een ontwerpwedstrijd voor promotoren en ontwerpers

 

 

 

4.3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen

 

 

23.

Gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt voor

 

  • het geheel van de noordoostelijke woonomgeving (in functie van het ontwikkelen van de woonuitbreidingsgebieden in deze omgeving, het realiseren van voldoende lokale voorzieningen en het uitbreiden van het recreatiegebied en rekening houdend met de mobiliteitseffecten)
  • de omgeving van Immerzeeldreef en Hof Somergem (in functie van het ontwikkelen van nieuwe woonprojecten, het behouden van open ruimte verbindingen en het versterken van de Somergembeekvallei en met aandacht voor het waterbergend vermogen)
  • delen van Gijzegem (in functie van het herbestemmen van de bestaande industriezone, het aanduiden van reserve bedrijventerrein, het creëren van bijkomend recreatiegebied, het herbestemmen van het woonuitbreidingsgebied, het ordenen van de doortocht)
  • delen van Hofstade (in functie van het herbestemmen van woonuitbreidingsgebieden, het realiseren van bijkomend recreatiegebied, het ordenen van enkele overgangsgebieden voor landbouw, het behouden van een open ruimte verbinding tussen Hofstade en Gijzegem)
  • het rasterlandschap (met aandacht voor de problematiek van zonevreemde woningen, zonevreemde woningen en zonevreemde bedrijven, voor de ordening van concentratiegebieden voor glastuinbouw, het afbakenen van bouwvrije agrarische gebieden, het herbestemmen van een deel van het gebied voor verblijfsrecreatie, het versterken van een aantal brongebieden, het laten aansluiten van fiets- en wandelpaden aan deze van de buurgemeenten)
  • delen van Moorsel (in functie van het herbestemmen van woonuitbreidingsgebieden naar openruimtefuncties, het herbestemmen van het bestaand industriegebied, het ordenen van de glastuinbouwconcentratie rond Waver)
  • de Faluintjes - Kravaalvelden in uitvoering van het op te maken geïntegreerd gebiedsgericht strategisch plan voor dit gebied (in functie van herbestemmingen naar bosgebied, het vrijwaren van open landbouwgebieden, de problematiek van de zonevreemde woningen, de ordening van verblijfsrecreatie, het herbestemmen van woonuitbreidingsgebieden in Meldert naar een open ruimte functie, het uitbouwen van de Molenbeek IV en haar zijbeken tot doorlopende groene linten, het uitwerken van herbestemmingen, inrichtings- en beheersvoorschriften voor deze beekvalleien in functie van natuur, park en verweven recreatie, het laten aansluiten van fiets- en wandelpaden aan deze van de buurgemeenten), uit te voeren in meerdere fasen voor zover niet opgemaakt door de Vlaamse overheid
  • het systeem van (delen van) Ediksveldbeek, Zuidbeek, Laarbeek en Hoezebeek (om de beekdoorgangen door bebouwd gebied te vrijwaren en met aandacht voor herbestemmingen in functie van natuur en park, het verweven van recreatie, de daadwerkelijke aanleg van natuurlijke elementen en het beheer daarvan)
  • het lokaal bedrijventerrein aan Welleweg in Erembodegem (met herbestemming van het betrokken woonuitbreidingsgebied)
  • het herbestemmen van het industriegebied Lion d’Or naar lokaal bedrijventerrein
  • indien nodig een gedeelte van de zonevreemde woningen, van de zonevreemde bedrijven en van de zonevreemde recreatie- en sportvoorzieningen

De gemeente kiest jaarlijks uit deze lijst de op te starten uitvoeringsplannen.

 

 

24.

Aan het Vlaams gewest wordt gevraagd gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken voor

 

  • de noordelijke Dendervallei (met onder andere aandacht voor de verweving landbouw - natuur)
  • de regionale bedrijventerreinen Erembodegem II en Erembodegem III (met aandacht voor verdichting en verfraaing, uitbreidingsmoeilijkheden van bedrijven, conflicten tussen wonen en werken)
  • het regionaal bedrijventerrein Wijngaardveld (met aandacht voor watergebonden bedrijvigheid, de doorgang van de Dender, verdichting en verfraaiing)
  • een gedeelte van het gebied Honegem – Solegem (met aandacht voor natuurwaarden en de relatie landbouw – natuur)

 

 

 

4.4. Verordeningen

 

 

25.

Er wordt een stedenbouwkundige verordening uitgewerkt

 

ter bescherming van waardevolle monumenten, gebouwen, stads- en dorpsgezichten en het archeologisch patrimonium

26.

De bestaande verordening inzake waterbeheersing wordt uitgebreid tot een instrument voor integraal waterbeheer

 

Bepalingen met betrekking tot de waterbeheersing in nieuwe projecten voor huisvesting, industrie enz. worden hierin verwerkt.

 

 

 

4.5. Sectorale beleidsinstrumenten

 

 

27.

Ten behoeve van de stadsvernieuwing en het aanpakken van de leegstand worden opgemaakt

 

een inventaris van te vernieuwen plekken, een actieprogramma, een prioriteitsbepaling en een uitvoeringsprogramma

28.

Voor het realiseren van een groenstructuur in stedelijk gebied worden opgemaakt

 

een verdere uitwerking van de visie uit het ruimtelijk structuurplan, een inventaris van groengebieden in de stedelijke woonomgevingen, een actieprogramma (met aanplantings- en onderhoudsprogramma’s) en eventuele uitvoeringsplannen

29.

Ten behoeve van een integraal waterbeheersplan voor de beekvalleien worden opgemaakt

 

een inventaris, een actieprogramma en een prioriteitsbepaling inzake aankoop, beheer en ontwikkeling van (delen) van beekvalleien

 

 

 

4.6. Onderzoek

 

 

31.

Verder onderzoek zal gebeuren naar

 

  • potenties voor het inplanten van bijkomende stedelijke functies in de omgeving van Albrechtlaan
  • de uit het agrarisch gebied te schrappen niet structurele landbouwgebieden
  • ruimtelijk verantwoorde varianten voor het optimaliseren van de huidige ring

 

 

 

4.7. Organisatie

 

 

32.

Voor de uitvoering van het ruimtelijk structuurplan

 

  • onderzoekt de gemeente mogelijke verschuivingen van bestaande taken en inpassing van nieuwe taken in verband met huisvesting, renovatie, sociale huisvesting, leegstand en stadsvernieuwing
  • optimaliseert de gemeente haar uitvoeringsgerichte (semi-autonome) organisatie of gaat zij samenwerkingsverbanden aan met bestaande uitvoeringsgerichte organisaties

 

 

 

5. Overleg en onderhandeling

 

 

33.

Bij overleg met andere overheden en instanties zal de gemeente

 

  • vragen naar verbeterde openbaar vervoer verbindingen met de andere stedelijke gebieden van de Vlaamse ruit
  • aandringen op het opstarten van een gebiedsgericht en geïntegreerd strategisch plan voor Osbroek-Gerstjes
  • aandringen op het opstarten van een gebiedsgericht en geïntegreerd strategisch plan voor Faluintjes - Kravaalvelden na onderzoek van de mogelijkheid tot het realiseren van een regionaal bos in deze omgeving en eventueel gekoppeld aan een landinrichtingsproject voor het buitengebied rond het stedelijk gebied Aalst
  • vragen naar het opmaken van een taakstelling woonwagenstandplaatsen voor alle Vlaamse gemeenten
  • vragen naar het opmaken van een streefbeeld, een actieplan en een fasering voor N41 en naar het onderzoeken van de wenselijkheid van een omleiding in Gijzegem
  • toezien op de kwaliteitsvolle ontwikkeling van Siesegemkouter tot een regionaal bedrijventerrein
  • vragen naar overleg omtrent het wegwerken van barrières van N9 rond Osbroek-Gerstjens

 

 

Parlementaire vragen

Vanuit de dagdagelijkse praktijk worden op parlementair niveau vragen gesteld aan minister Dirk Van Mechelen via Vlaams parlementslid Dirk de Kort, burgemeester van Brasschaat.

 

Schriftelijke vraag nr. 105 van 1 april 2008

Stedenbouwkundige vergunningen   -   Centrale Archeologische Inventaris

Artikel 111 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening stelt dat voor bepaalde aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen een bindend advies dient ingewonnen te worden bij de bevoegde instantie: “aanvragen met betrekking tot …archeologische zones worden voor advies voorgelegd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met taken van beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.”

Op de website van het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen wordt de kaart met de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) geblokkeerd met een paswoord. Aan de lokale besturen wordt naar verluidt geen toegang verleend.

Wanneer zou blijken dat een perceel tot een archeologische zone behoort en er is geen advies gevraagd, dan is er een procedurefout gemaakt.

  1. Hoe kunnen de lokale besturen weten dat een perceel tot een archeologische zone behoort (meestal zijn deze gegevens niet ter beschikking van de lokale besturen)?
  2. Op welke manier zullen de gegevens ter beschikking worden gesteld van de lokale besturen? Zal hun toegang verleend worden tot de CAI?
  3. Wat dienen de lokale besturen te doen in afwachting van het verkrijgen van de gegevens inzake archeologische zones?

Antwoord van de minister

Vooraleer dieper in te gaan op de verschillende vragen, is het noodzakelijk dat het correcte kader eerst even wordt geduid.
Art 111 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening §5, 2° gaat over “aanvragen met betrekking tot voorlopig of definitief beschermde monumenten of archeologische monumenten en met betrekking op percelen die gelegen zijn in voorlopig of defintief beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen, ankerplaatsen of archeologische zones”. Op het vlak van archeologie heeft artikel 111 DRO dus enkel betrekking op (een beperkt aantal) beschermde archeologische monumenten of zones.

De Centraal Archeologische Inventaris is een inventaris van vindplaatsen die stelselmatig wordt aangevuld op basis van resultaten van opgravingen, prospectievondsten, toevalsvondsten, literatuurgegevens,… Alle nuttige gegevens worden ingevoerd, maar er is steeds een kwalitatieve interpretatie nodig. Het feit dat een bepaalde zone niet in de CAI staat, betekent daarom nog niet dat ze archeologisch niet relevant zou zijn.

Dat brengt mij tot het antwoord op de concrete vragen.

  1. Art. 29 van het archeologiedecreet van 30 juni 1993 voorziet dat van het register van beschermde archeologische monumenten en zones dat door het Agentschap R-O wordt bijgehouden ook een afschrift berust bij de provincies(s), de gemeente(n), het kadaster en de bewaarder der hypotheken, elk voor hun ambtsgebied. In tegenstelling tot het uitgangspunt in uw vraagstelling, is deze info voor de betrokken gemeenten dan ook eenvoudig ter beschikking.
  2. De Centrale Archeologische Inventaris is een samenwerkingsverband tussen het Vlaamse Gewest (Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed) en verschillende partners (waaronder UGent, KULeuven, VUB, de intergemeentelijke archeologische diensten, de 5 Vlaamse provincies, stad Antwerpen, stad Gent, museum Kempenland, etc.). De samenwerkingsovereenkomst “Centrale Archeologische Inventaris” tussen het Vlaams Gewest en de partners van de Centrale Archeologische Inventaris werd op 23 mei 2001 officieel ondertekend. Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed staat in voor het beheer van de CAI. Inzake de toegankelijkheid voor openbare besturen stipuleert de samenwerkingsovereenkomst in artikel 3 het volgende: “…de locatie-informatie van de meta-archeologische databank wordt gericht vrijgegeven aan lokale besturen, andere dan de partners, mits het ondertekenen van een convenant waarin de gemeente zich engageert een actief archeologisch beleid te voeren, de deontologische code van de archeoloog (als bijlage) te onderschrijven, de informatie waarover ze beschikt te integreren in de CAI en de locatie-informatie niet aan derden vrij te geven; …”
    Indien aan die voorwaarden voldaan wordt, kan toegang worden verleend. Een aanvraag daartoe moet worden ingediend bij de beheerder, het VIOE. Tot nu toe ontving het VIOE slechts weinig aanvragen van lokale besturen om toegang tot de CAI te verkrijgen. De stad Tongeren vroeg onlangs toegang aan. De procedure loopt nog, maar zodra het VIOE de ondertekende documenten ontvangen heeft, zal aan de stadsarcheoloog van Tongeren toegang tot de gegevens van de Centrale Archeologische Inventaris verleend worden. Na ondertekening van de gebruikersovereenkomst en de deontologische code wordt door het VIOE een gebruikersnaam en een paswoord aangemaakt en wordt dit bezorgd aan de persoon in kwestie. Deze toegang is persoonlijk en kan niet overgedragen worden aan anderen. Bedoeling van deze nogal strikte procedure is ervoor te zorgen dat potentiële vindplaatsen niet geplunderd worden vooraleer ze op een wetenschappelijke manier kunnen worden onderzocht.
  3. Alle noodzakelijk info is beschikbaar of kan beschikbaar worden gesteld mits het volgen van de voorziene procedures.

---- oo-O-oo ----

 

Schriftelijke vraag nr. 104 van 31 maart 2008

Verkavelingen met wegenaanleg   -   Bevoegdheid

In het nieuwe Gemeentedecreet dat sinds 1 januari 2007 van kracht is, is het college van burgemeester en schepenen volgens artikel 57 1° en 12° bevoegd voor “de daden van beheer over de gemeentelijke inrichtingen en eigendommen, binnen de door de gemeenteraad vastgestelde algemene regels en “de vaststelling van de rooilijnen van de wegen”…”.

In het artikel 133 §1 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) wordt gesteld: “Indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, dan neemt de gemeenteraad een besluit over de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist binnen de termijn bepaald in artikel 113”.

In het Gemeentedecreet ligt de bevoegdheid inzake de rooilijnen bij het college van burgemeester en schepenen en volgens het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening ligt de bevoegdheid bij de gemeenteraad.

  1. Heeft het gemeentedecreet een invloed op het beslissingsproces van verkavelingen met wegen?
  2. In welke mate vormt het feit dat een niet-bevoegde instantie, nl. de gemeenteraad, een beslissing dient te nemen in het kader van verkavelingen met aanleg van wegen (zoals bepaald in artikel 133 DRO) een juridisch probleem?
  3. Als het college van burgemeester en schepenen, dat volgens het Gemeentedecreet bevoegd is voor de rooilijnen, een aanvraag weigert mede op basis van een probleem met de rooilijnen, kan de bestendige deputatie hieromtrent dan in beroep een vergunning afleveren?
  4. Welke initiatieven worden eventueel genomen om bovenvermeld probleem van tegenspraak tussen Gemeentedecreet en DRO te verhelpen?

N.B. Deze vraag werd gesteld aan de ministers Keulen (vraag nr. 114) en Van Mechelen (nr. 104).

Antwoord van de minister

De gezaghebbende rechtsleer stelt dat de gemeenteraad beschikt over de volheid van bevoegdheid inzake de gemeentelijke belangen die niet uitdrukkelijk aan andere organen van de gemeente werden toevertrouwd, b.v. aan het college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraad beschikt dus over een algemene regelgevende bevoegdheid voor zaken van gemeentelijk belang. (Overzicht van het Belgisch administratief recht, 17de druk, 2006, p. 528).

Als regel geldt dat de gemeenteraad als enige bevoegd is om te beslissen over de ontsluiting van nieuwe wegen of de verbreding van bestaande wegen.

De wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, evenals het navolgende decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (en zijn wijzigingen) hebben geen wijzigingen gebracht aan de door de gemeentewet sedert 1836 gevestigde bevoegdheid van de gemeenteraad inzake gemeentewegen.

De regelgeving ruimtelijke ordening heeft enkel beoogd de materie van het aanleggen van nieuwe en het wijzigen van bestaande gemeentewegen - waartoe een verkavelingsaanvraag in zeer talrijke gevallen noodzaakt - het voorwerp te laten uitmaken van een regeling die het geheel van deze materie op afzonderlijke wijze regelt, ook en vooral wat betreft het bestuurlijk toezicht op de gemeenteraadsbesluiten over de wegen. De in 1962 en 1970 geldende bepalingen van de gemeentewet voorzagen een door de regering na advies van de deputatie uit te oefenen goedkeuringstoezicht. Wat betreft nieuwe of te wijzigen gemeentewegen waartoe verkavelingsaanvragen noodzaken, heeft de regelgeving ruimtelijke ordening geopteerd voor een ander vorm van bestuurlijk toezicht, nl. het toezicht bij wijze van machtiging bij middel van een voorafgaand bindend advies dat een onontbeerlijk onderdeel vormt van de uiteindelijk verleende verkavelingsvergunning. Men zou dus niet kunnen stellen dat het bevoegdheidskader van de gemeentewet door de regelgeving ruimtelijke ordening werd "overruled". Inhoudelijk werd de bevoegdheid van de gemeenteraad in zake gemeentewegen (rooilijn, en uitrusting van de weg)  niet gewijzigd. Enkel de wijze waarop deze bevoegdheid wordt uitgeoefend (dossiersamenstelling, de volgorde waarin de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen hun respectievelijke bevoegdheid uitoefenen) en het toezicht op de besluiten van de gemeenteraad over deze categorie van gemeentewegen werden het voorwerp van een specifieke op zichzelf staande en volledige regeling.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, met name Parl. St., Senaat, 1969-1970, 525, 57-58, waarbij artikel 57bis in de stedenbouwwet werd ingevoegd, blijkt volgens de rechtspraak van de Raad van State dat de wetgever aan de gemeenteraad de uitsluitende bevoegdheid heeft gelaten om te oordelen over de aanleg van nieuwe wegen, de tracéwijziging en de verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke wegen, en dat het gemeenteraadsbesluit hieromtrent bindend is, niet alleen voor het college van burgemeester en schepenen dat uitspraak doet over een aanvraag tot verkavelingsvergunning, maar ook voor de administratieve overheden die in beroep over deze aanvraag beschikken (R.v.St. nr. 71.278 van 28 januari 1998, in zake de gemeente Zemst).

In het kader van de medebewindstaken, zoals de toepassing van de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, beraadslaagt en besluit de gemeenteraad eveneens over elk onderwerp – dat dus niet van gemeentelijk belang is – dat hem door de hogere overheid wordt voorgelegd, in het kader van de medebewindstaken of taken van gemengd belang. Deze taken staan naast de opdrachten van gemeentelijk belang.

De in het gemeentedecreet opgenomen mogelijkheid de uitoefening van bepaalde bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en schepenen te delegeren geldt niet voor aangelegenheden die in het kader van het medebewind, uitdrukkelijk aan de gemeenteraad waren toegewezen.

Wanneer de gemeenteraad een beslissing moet treffen over de zaak der wegen in een verkaveling (artikel 133, §1 decreet ruimtelijke ordening) neemt hij een beslissing, als daad van beschikking, over het principe van de weg en over het tracé. De bevoegdheid van het schepencollege in artikel 57, 12° van het gemeentedecreet betreft de vaststelling van de rooilijn, zijnde de concrete aanwijzing van de building line: de scheidingslijn tussen de privé-eigendom (bouwplaats) en de openbare weg. De rooilijn moet, volgens deze bepaling, vastgesteld worden ‘met inachtneming van de plans van de hogere overheid’. Die plannen zijn door de hogere overheid goedgekeurde rooilijnplannen, ruimtelijke structuurplannen, enz., allen de bevoegdheid van de gemeenteraad. De bevoegdheid van het schepencollege is derhalve eerder een uitvoerende of beheersbevoegdheid.

Artikel 133, §1 van het decreet van 18 mei 1999 bepaalt dat indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracé wijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, de gemeenteraad dan een besluit over de wegen neemt alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist. In het derde lid wordt deze beslissing bestempeld als de beslissing van de gemeenteraad “over de zaak van de wegen”.

Wat betreft verkavelingsaanvragen die tot wegenbouwwerken noodzaken, wordt de totstandkoming van voorschriften betreffende het aanleggen en uitrusten van wegen, de bouwvrije stroken en de beplantingen geregeld door het voornoemde ministerieel besluit van 6 februari 1971 dat nog steeds van kracht is. Artikel 2 schrijft voor dat, wanneer de verkaveling de aanleg van nieuwe straten of de wijziging van bestaande straten inhoudt, het dossier van de verkavelingsaanvraag onder andere ook de volgende plannen en documenten moet bevatten:

  • Het tracé van de in de verkaveling begrepen wegen;
  • De rooilijnen van de openbare wegen, de breedte van de rijbanen en de voetpaden en de dwarsprofielen;
  • De openbare nutsvoorzieningen zoals riolen, water-, elektriciteits-, gas- en telefoonleidingen;
  • De plaatsen bestemd voor beplantingen, voor parkeerruimten en bezinestations;
  • De lichtpunten van het bestaande verlichtingsnet, en degene die ten behoeve van de verkaveling worden ontworpen, alsmede de aard van de voedingleiding;
  • Een beschrijving van de wegenbouw- en andere openbare werken  die de aanvrager zich verbindt op eigen kosten uit te voeren;
  • Een globale kostenraming van die werken, met opgave van die onderscheiden posten en de daarop betrekking hebbende eenheidsprijzen;
  • De in de aanvraag aangegeven openbare wegen, aanhorigheden en openbare nutsvoorzieningen, alsook de gronden waarop ze komen of zullen komen, waarvoor de aanvrager de verbintenis aangaat de eigendom ervan, vrij en onbelast, en zonder kosten voor haar, om niet aan de gemeente af te staan op een door haar vast te stellen datum en in elk geval bij de eindoplevering van de werken.

(…)

De in het uitvoeringsbesluit van 6 februari 1971 gebruikte termen “wegenbouw- en uitrustingswerken” worden in de rechtspraak  omschreven als volgt:

  • wegenbouwwerken: alle wijzigingen te brengen aan het tracé van het net van de bestaande gemeentelijke verkeerswegen en de uitrusting van deze wegen;
  • wegenuitrusting: het graven van de wegen, werken tot uitgraven, ophogen en verharding, het bouwen van een rioleringsnet en de aansluiting van de verschillende woningen op gas- en waterleiding, het elektriciteits- en telefoonnet, de bekisting van de wegen,  de bekleding van het wegdek, de boordstenen en de voetpaden;

Alle in het aangehaalde artikel 2 vermelde zaken behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenteraad. Het gemeenteraadsbesluit over deze aangelegenheden heeft geen individueel karakter, maar vormt een voorschrift met normatief karakter, op dezelfde wijze de stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer horend bij een ruimtelijk uitvoeringsplan in de zin van artikel 38, §1, 2° van het decreet van 18 mei 1999.

Uit de rechtspraak dient besloten dat de “zaak van de wegen” waarover de gemeenteraad voorafgaandelijk  een besluit moet nemen, niet alleen verband houdt met alle wijzigingen van het tracé van het bestaande gemeentelijke verkeerswegennet (aanleg van nieuwe verkeerswegen, tracé wijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen) maar ook met wijzigingen aan de uitrusting van bestaande wegen. Dus ook besluiten die verband houden met de wijze waarop de bestaande wegen aan de noodwendigheden van een verkaveling moeten worden aangepast, moeten genomen worden door de gemeenteraad.

Er mag in dit verband niet worden voorbijgegaan aan het door de Raad van State uitgesproken arrest nr. 121.145, in zake Bruyneel van 1 juli 2003 dat de beperktheid van de regelgevende bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen over de zaak van de wegen goed illustreert. In dit arrest oordeelde de Raad dat de openbare bestemming van de toegangsweg en het onderworpen zijn van de aanleg ervan  aan de voorafgaande beslissing van de gemeenteraad blijkt uit volgende voorwaarden in het advies van het College: de wijze waarop het college van burgemeester en schepenen regelend is opgetreden, inzonderheid via de bij de vergunning horende bijzondere voorwaarden inzake de aanleg van de toegangsweg, meer bepaald wat de verkeerssignalisatie betreft, waaruit kan worden afgeleid dat het college van burgemeester en schepenen evenmin de bestemming van die weg als een louter private weg heeft opgevat. De omstandigheid dat de wegzate private eigendom blijft is te dezen irrelevant, naar het oordeel van de administratieve rechter. Ook in dit arrest vertrekt de Raad van State van de vaststelling dat op grond van artikel 117 van de Nieuwe Gemeentewet de gemeenteraad op gemeentelijk vlak de volheid van bevoegdheid bezit.

Er dient vastgesteld dat de parlementaire voorbereidingen van het Gemeentedecreet, helaas, hebben bijgedragen tot het ontstaan van de misvatting dat het Gemeentedecreet de hierboven beschreven  regelgevende bevoegdheid van de gemeenteraad verschoven heeft naar het college. De toevoeging van punt 12° aan artikel 57, § 3 van het Gemeentedecreet is het resultaat van een amendement. De indieners wilden daarmee, zo blijkt uit de bespreking in de commissie, een “vergetelheid” rechtzetten: door het hernemen van artikel 123, 6° van de Nieuwe Gemeentewet wilden zij de bevoegdheid van het college voor het bepalen van de rooilijn gehandhaafd zien (Vl. P., Parl. St., nr. 347/6, p.67-68 en 122). Daarbij ging men er echter ten onrechte van uit dat artikel 123, 6° van de Nieuwe Gemeenwet aan het college de bevoegdheid verleende voor de gemeentewegen bindende rooiplannen met het karakter van verordeningen vast te stellen. Zoals uiteengezet, moet deze regel zo worden verstaan, dat het college als uitvoerend orgaan op individuele vraag de rooilijn aangeeft (zie o.m. R.v.St., gemeente Zemst, nr. 71.278, 28 januari 1998).

Op grond hiervan dienen de gestelde vragen als volgt worden beantwoord:

  1. Het gemeentedecreet heeft geen wijzigingen gebracht aan het door de regelgeving ruimtelijke ordening geregelde beslissingsproces met betrekking tot verkavelingen die tot wegenbouwwerken noodzaken.
  2. Het in de tweede vraag bedoeld juridisch probleem doet zich niet voor. De gemeenteraad is ter zake bevoegd.
  3. Indien de gemeenteraad het door de aanvrager met naleving van de bij ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een dossier betreffende een verkavelingsaanvraag moet voldoen om als volledig te worden beschouwd ingediende dossier  verwerpt, kan in het kader van het administratief beroep enkel door de Deputatie een verkavelingsvergunning worden verleend indien de gemeenteraad een beslissing heeft genomen over de weg.
  4. Er is geen enkel initiatief vereist om de in de vraag bedoelde tegenspraak tussen het Gemeentedecreet en het DRO te verhelpen, aangezien deze onbestaande is.

---- oo-O-oo ----

 

Vraag om uitleg van 21 maart 2008

over afwijkingen op gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen bij niet-ontvoogde gemeenten.

Al heel wat gemeenten hebben in 2007 een goedgekeurd Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. Dit is één van de vijf voorwaarden voor ontvoogding. Een gevolg hiervan is dat die gemeenten nu Ruimtelijke Uitvoeringsplannen opmaken. De vraag stelt zich nu of er van Ruimtelijke Uitvoeringsplannen kan afgeweken worden in de gemeenten die niet ontvoogd zijn.

Artikel 111bis (DRO) is hier duidelijk, maar dit kan mijn inziens enkel toegepast worden bij de gemeenten die al ontvoogd zijn (zij voldoen aan alle vijf voorwaarden: gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, stedenbouwkundig ambtenaar, plannenregister, vergunningenregister en lijst van de onbebouwde percelen).
De gemeenten die niet ontvoogd zijn, moeten volgens artikel 193§2, deels het gecoördineerd decreet uit 1996 toepassen, inclusief artikel 49 (afwijkingen op BPA’s en verkavelingen). In artikel 49 wordt geen melding gemaakt van ruimtelijke uitvoeringsplans.

Ik zou de minister hierover de volgende vragen willen stellen:

  1. Kunnen niet-ontvoogde gemeenten alsnog juridisch beroep doen op artikel 111bis en zodoende afwijkingen toestaan op hun gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen bij het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen?
  2. Zo ja, welke procedure dient er gevolgd te worden?
  3. Biedt artikel 49 van het gecoördineerd decreet een juridische basis voor het toestaan van afwijkingen op de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen?
  4. Wordt het al dan niet toestaan van afwijkingen op RUP’s bij niet-ontvoogde gemeenten beschouwd als een interpretatie van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren?
  5. Gaat de minister omtrent dit probleem initiatieven nemen op Vlaams niveau?

Antwoord van de minister

De problematiek is mijn administratie en mijzelf bekend. We passen in Vlaanderen op dit moment twee vergunningenprocedures toe.

  1. De niet ontvoogde gemeenten (de meerderheid) passen het gecoördineerd decreet van 1996 toe. Voor afwijkingen kan gebruik gemaakt worden van de bepalingen van artikel 49.
  2. De ontvoogde gemeenten volgen het decreet van 1999.Voor afwijkingen wordt hier gebruik gemaakt van artikel 111 bis.

In het coördinatiedecreet van 1996 vermeldt artikel 49 het volgende. Ik citeer:

"Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft."

Hier staan de gemeentelijke uitvoeringsplannen niet vermeld, om de eenvoudige reden dat die plannen nog niet bestonden toen het decreetsartikel gemaakt is. Het artikel dateert immers al van de jaren 1970.

En in het decreet van 1999 vermeldt artikel 111bis, ingevoegd in 2003 het volgende. Ik citeer opnieuw:

"De vergunningverlenende overheid kan, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager en na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen toestaan van de voorschriften van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, van een bijzonder plan van aanleg of van een vergunde verkaveling, enkel voor de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken en de gebruikte materialen. Geen afwijkingen inzake bestemming mogen worden toegestaan. De afwijking mag evenmin leiden tot een toename van de maximaal mogelijke vloerterreinindex, en evenmin mag afgeweken worden van het aantal bouwlagen. De afwijking mag niet strijdig zijn met de goede ruimtelijke ordening. Deze afwijking kan ook in beroep worden toegestaan."

Er zijn inderdaad gemeenten die beschikken over een gemeentelijk structuurplan en nadien opgemaakte gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en die nog niet ontvoogd zijn.
Als we strikt naar de letter van het decreet van 1996 kijken, zouden in deze gemeenten afwijkingen van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan onmogelijk zijn. Dit kan pas worden toegestaan nadat de gemeente ontvoogd is. Hiervoor is geen enkele logische verklaring te bedenken.

Vandaar dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren i tern afgesproken hebben om artikel 49 ook toe te passen binnen gemeentelijke uitvoeringsplannen. De procedure van artikel 49 wordt dus gevolgd. Dat betekent dat er een gemotiveerd voorstel van de gemeente moet zijn. En een gunstig advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Deze werkwijze is geen interpretatie van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaren, eerder een pragmatische oplossing voor het probleem waarmee niet ontvoogde gemeenten geconfronteerd worden.

Ik kan er ook nog op wijzen dat de mogelijkheid om afwijkingen toe te staan inhoudelijk vrij beperkt is. Daar is veel rechtspraak van de Raad van State over. In een omzendbrief van 1996 heeft één van mijn voorgangers deze rechtspraak toegelicht. Ik pleit er dus voor om nieuwe gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen niet te gedetailleerd op te maken, zodat er minder afwijkingen nodig zijn!

Ten slotte antwoord ik op uw laatste vraag of ik een initiatief ga nemen op Vlaams niveau.
Nu nog een decreetswijziging doorvoeren lijkt mij niet zinvol. In het nieuwe decreet dat we voorbereiden, is immers maar één vergunningenprocedure meer voorzien, zodat het probleem definitief opgelost zal zijn. Nog even afwachten dus.

---- oo-O-oo ----

 

Schriftelijke vraag nr. 102 van 21 maart 2008

Stedenbouwkundige vergunningen   -   Uitvoeringsbesluit 5 mei 2000

In het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 (en gewijzigd op 26 april 2004) tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar worden de criteria opgesomd waarbinnen een lokale, niet-ontvoogde overheid, eigen beslissingen kan nemen.

In artikel 5 van dit besluit wordt expliciet vermeld: ”…handelingen en werken, die volgens het gewestplan gelegen zijn in een woongebied in de ruime zin.”

Ondertussen zijn in heel wat gebieden gewestelijke en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen opgemaakt. In het uitvoeringsbesluit wordt er niet gesproken over gewestelijke en provinciale uitvoeringsplannen.

Dit heeft tot gevolg dat de beoordeling van bepaalde vergunningen langer zal duren en dat dit uitvoeringsbesluit in feite zijn doel voorbijschiet.

1. Moet een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die gelegen is in een woongebied (agrarisch gebied en industriegebied) in de ruime zin volgens een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan getoetst worden aan dit uitvoeringsbesluit?

2.Is dit uitvoeringsbesluit van toepassing op de gebieden die gelegen zijn in een woongebied (agrarisch gebied en industriegebied) in de ruime zin volgens een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringplan, terwijl dit niet vermeld is in het besluit?

3. Is er een juridisch probleem (maken van procedurefout) voor de niet-ontvoogde gemeenten indien ze dit besluit toepassen voor de bovenvermelde gebieden?

Antwoord van de minister

Uw vraag heeft betrekking op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar.

Dit besluit is opgemaakt op het ogenblik dat er nog geen ruimtelijke uitvoeringsplannen werden goedgekeurd. In 2000 werd ook ingeschat dat de ontvoogding van gemeenten sneller zou verlopen, zodat dit besluit destijds aanzien werd als een overgangsbesluit in afwachting van die nakende ontvoogding.

Vandaar ook dat in het besluit verschillende malen verwezen wordt naar het gewestplan.

Voor mij is het duidelijk dat als in een artikel van het besluit uitdrukkelijk verwezen wordt naar het gewestplan, die bepaling niet kan toegepast worden in gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen. Anders oordelen zou een duidelijke procedurefout betekenen, die de wettigheid van de vergunning kan aantasten.

Maar niet in alle artikelen wordt naar het gewestplan verwezen. In artikel 2, 3 en 4 gebeurt dit bijvoorbeeld niet. Deze vrijstellingen van het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar gelden dus ook in gewestelijke en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen.

In de artikelen 5, 6 en 7 wordt enkel naar het gewestplan verwezen, zodat deze vrijstelling niet van toepassing is in gewestelijke en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Een wijziging van het besluit zou een oplossing kunnen brengen, maar ik stel voor om hier even mee te wachten. De decreetswijziging die de Vlaamse Regering onder mijn impuls voorbereidt, zal immers ook een aanpassing van het betrokken besluit noodzaken. Mij lijkt het niet opportuun om het besluit tweemaal te wijzigen op enkele maanden tijd.